sluiten

Schrijver en historicus Ewoud Kieft: ‘Het populistische verhaal van één volk met één volkswil is een sprookje’

Schrijver en historicus Ewoud Kieft werd door Stichting Democratie en Media uitgenodigd om te spreken op de 5 februariherdenking, waarbij de medewerkers van verzetskrant Het Parool worden herdacht. Voor een zaal met nabestaanden en andere geïnteresseerden vertelde Kieft over de ‘onverstoorbare, alledaagse discipline’ die het verzet kenmerkte. Daarnaast sprak hij over de noodzaak van verzet nu autocratie wereldwijd de kop opsteekt. Hieronder is de hele toespraak van Kieft terug te lezen.

Tekst: Ewoud Kieft

Het is bijzonder om vandaag hier in jullie midden te zijn, bij de herdenking op de Eerebegraafplaats, en nu hier, te midden van zoveel familieverhalen. Het brengt bij mij ook weer herinneringen naar boven, van meer dan twintig jaar geleden – toen ik een paar mensen uit die oude Paroolgroep leerde kennen. Ik weet nog dat ik op een schemerige middag bij Max Nord thuis was voor een interview. Die was toen bijna negentig. Maar hij was opmerkelijk jong in zijn doen, goedlachs, los in de omgang. Het voelde bijna alsof ik met een leeftijdgenoot zat te praten. Pretlichtjes in de ogen, helemaal als hij herinneringen ophaalde. Hij schonk jenever en wijn, ook al mocht hij zelf niet meer drinken, zei hij met enige spijt.

Een paar jaar later ontmoette ik Wim van Norden. We spraken kort. Hij was te oud om nog te lopen, maar ook hij had nog dat jongensachtige, dat levendige, in zijn gebaren, in zijn gedachten. Hij schakelde snel van onderwerp, zei allerlei dingen waar ik dagen later nog over zat na te denken, en hij was nieuwsgierig – wat lang niet alle mensen op die gevorderde leeftijd nog zijn.

Ik moet denken aan die ontmoetingen, omdat ze de indruk bevestigden die ik al had van die oude Paroolgroep: een vrolijke, levenslustige, nieuwsgierige groep mensen – dat beeld zat al in mijn hoofd, en dat kwam denk ik door de verhalen van Simon Carmiggelt, die daar wel eens over schreef – waar ik nog steeds een groot liefhebber van ben – en door dat prachtige interview van Annie M.G. Schmidt, door Ischa Meijer, waarin ze uitgebreid vertelt over de mensen van Het Parool tussen wie ze belandde. Voor die tijd was ze een ‘mossig stuk hout’ geweest, vertelde ze.

Maar dat ‘dooiïge’ schudde ze eindelijk van zich af in dat gezelschap vol vrolijke losbandigheid. ‘Ze hadden allemaal zoiets van “jongens zet ‘m op” en “we gaan leuk vreemd”, we gaan leuk zuipen, we gaan leuke dingen doen’. Ze hadden een ‘enorm gevoel voor politiek, een enorme gedrevenheid om het nou een beetje goed te krijgen.’

Maar onder al die losheid en vrolijkheid zat ook een bepaalde ernst, een schaamte, noemde Annie M.G. Schmidt het zelfs, ‘de collectieve schaamte dat je dat toe hebt gelaten’. Al die Nederlanders, die medeburgers, die toevallig van Joodse afkomst waren, die uit de gemeenschap waren geplukt en gedeporteerd en vermoord. Ze had er tientallen jaren nog steeds last van, pijn in haar buik als ze eraan dacht.

Het is die combinatie van vrolijke uitbundigheid aan de ene kant, en een diepgevoeld medeleven, aan de andere kant: en de pijn dat het niet gelukt was om hun vervolgde medeburgers te beschermen.

Het besef dat het bij de Jodenvervolging om medeburgers ging, dat Joodse Nederlanders deel waren van dezelfde gemeenschap, juist daar ontbrak het in Nederland bij het grootste deel van de bevolking aan, zelfs ná de bevrijding kon je dat merken – ja zelfs in sommige verzetskringen werden Joden toch als wezenlijk anders gezien.

Nationale solidariteit
Niet in het verslag dat Het Parool gaf van de razzia’s in de Amsterdamse Jodenbuurt en de eerste verzetsacties die uiteindelijk tot de Februaristaking leidden. Daar valt op dat de schrijver, Frans Goedhart, het nadrukkelijk over medeburgers had waar het verzet om draaide: ‘Arbeiders, studenten, werkloozen, kantoorbedienden naar het Waterlooplein getrokken om de bedreigde Joodsche landgenooten te helpen (…)’  ‘Dit was de eenheid van het Nederlandsche volk, die in verzet kwam om een bedreigd volksdeel te beschermen tegen de Duitser en zijn knechten.’

‘Het besef dat het bij de Jodenvervolging om medeburgers ging, juist daar ontbrak het in Nederland bij het grootste deel van de bevolking aan’

Het lijkt een detail, maar het is een belangrijk verschil met het algemene taalgebruik wat je meestal in deze periode tegenkomt: waarin ‘die Joden’, ‘die Jood’, en allerlei andere varianten er altijd de nadruk op legden dat het om buitenstaanders ging, niet om volwaardige Nederlandse burgers.

Die nationale solidariteit koesterde Het Parool wel – zoals Madelon de Keizer in haar boek over Het Parool liet zien. Die gedachte van een brede, nationale verzetsbeweging, waar alle verschillende groepen uit de samenleving deel van uitmaakten en voor elkaar opkwamen, was vanaf het allereerste begin een drijvende kracht in Het Parool-idealisme. En dat was een verschil met heel veel andere verzetsgroepen. Die opereerden vaak juist in heel besloten subculturen, rond de kerk, of rond de communistische partij. Dat waren verzetsbeweging die soms erg ver van de liberale democratie afstonden.

Daar kwam ik achter toen ik me ging verdiepen in de verzetsgroep waar mijn opa actief in was geweest. Dat was de Nulgroep in de stad Groningen. Veel van die Groningse verzetsgroepen waren vanuit de kerkelijke verenigingen ontstaan, Bijbelclubs, gereformeerde jeugdverenigingen. Dat was ongetwijfeld ook de manier waarop mijn opa erbij betrokken raakte. Die kwam uit een zwaar gereformeerde familie en was zelf diepgelovig. Toen zijn eerste vrouw stierf schreef hij devote gedichten vol Godsvertrouwen.

Voor die Groningse verzetswerkers draaide hun keuze voor de illegaliteit om hele religieuze ideeën: voor hen betekende verzet in de eerste plaats een strijd tegen ‘het satanisch karakter van het nationaalsocialisme, dat onze hoogste geestelijke en nationale goederen met den ondergang bedreigde.’ Zo omschreven ze het letterlijk. Het nazisme met zijn biologische ideeën over ras en de oerkrachten van het Germaanse volk die weer zouden verrijzen als Duitsland was gezuiverd van bloedvermenging en buitenlandse invloeden, was een vorm van heidendom waartegen christenen zich tot het uiterste moesten verzetten. Verzet was niets minder dan een ‘geestelijke strijd tegen de Duivel’.

Dat was een totaal ander soort verzet dan de sociaaldemocratische ideeën die je in de Paroolgroep veel tegenkwam, dat af en toe werd aangevuld met wat algemene christenhumanistische gedachten (bij bijvoorbeeld Nord en Van Norden) – en ook weer helemaal anders dan de geharnaste marxisten uit het communistische verzet.

Het waren soms onverzoenlijke werelden, die verschillende takken van het verzet – dat bleek bijvoorbeeld toen mijn grootouders twee arbeiders uit het communistische verzet bij hen lieten onderduiken. Dat boterde totaal niet. En toen ze afscheid namen, omdat ze naar een nieuw onderduikadres gingen, weigerden ze dankjewel te zeggen. Want mijn grootouders hadden niets meer dan hun plicht gedaan – daar zou je welbeschouwd niet voor moeten bedanken.

Ik moet altijd wel lachen om dat verhaal. Want die gereformeerde verzetsmensen waren zelf precies zo. Toen na de bevrijding het lintjes en onderscheidingen regende, werd er in de LO gemord: eigenlijk zou het niet als iets uitzonderlijks moeten gelden, wat ze gedaan hadden – al die lintjes gaven het verkeerde signaal af: zo leek het bijna alsof de passiviteit van de rest van het land normaal was.

‘Toen ze naar een nieuw onderduikadres gingen, weigerden ze dankjewel te zeggen. Want mijn grootouders hadden niets meer dan hun plicht gedaan – daar zou je welbeschouwd niet voor moeten bedanken.’

Rotsvaste overtuigingen, dat hadden ze allemaal, hoe verschillende de verzetsgroepen ook waren. En dat was ook nodig natuurlijk. Alleen al vanwege de risico’s die met verzetswerk gepaard gingen. De kans om opgepakt te worden, in een concentratiekamp vastgezet te worden, ondervraagd te worden door de Sicherheitsdienst, die erg benieuwd was naar de namen van andere verzetswerkers. Je moest wel iets van een ideaal koesteren om dat allemaal te willen riskeren.

Eentonig
En misschien was een onwrikbare overtuiging nog wel noodzakelijker vanwege iets wat niet zo vaak genoemd wordt als het om verzet gaat, maar wat een essentiële voorwaarde was om het überhaupt te kunnen laten functioneren: discipline. Onverstoorbare, alledaagse discipline. Het is een aspect wat een stuk minder aandacht krijgt dan alle spectaculaire verzetsacties, overvallen op distributiekantoren, aanslagen op hooggeplaatste nazi’s. Maar het gros van het verzetswerk, het overgrote deel, was veel eentoniger. Er moesten bonnen verspreid worden, geld ingezameld, kranten gedrukt, gevouwen, opgeslagen, gedistribueerd, elke dag, week in, week uit. Rondfietsen door stad of platteland, alles netjes afleveren bij de goede adressen, op tijd naar huis, niet te veel opvallen.

Dat Het Parool tijdens de bezetting uitgroeide van een stenciltje tot een oplage van 100.000 in het laatste oorlogsjaar, is een blijk van een onvoorstelbare gedisciplineerde organisatie. Als je bedenkt wat voor logistieke operatie daarbij kwam kijken, om dat volledig clandestien voor elkaar te krijgen. De aanvoer van papier, de drukkerijen, de hele distributie – het zoeken naar vervangers als er medewerkers waren gearresteerd, telkens nieuwe schuilnamen, nieuwe schuiladressen.

En dat gold ook voor het verzet in de provincie Groningen. Daar waren in de zomer van 1944 achttienduizend onderduikers te verzorgen.  Die moesten bonnen hebben en geld. In de stad Groningen zamelde de Nulgroep elke maand gemiddeld 15.000 gulden in via een zogeheten ‘potensysteem’: ieder lid van de financiële tak van de verzetsgroep vroeg geld aan vijf personen, die op hun beurt weer vijf personen benaderden. Niet alleen onderduikers, maar ook gezinnen die hun kostwinner hadden verloren werden op deze manier gesteund, met zo’n 10 tot 30 gulden per maand.

Dat moest allemaal op tijd rondgebracht worden. En daar werd bijvoorbeeld ook mijn tante voor ingezet. Die was toen tien jaar en moest de hele stad doorlopen met een kinderwagen vol distributiebonnen. Later vertelde ze me dat haar schoenen knelden. Die waren twee maten te klein. Dat lijkt een detail. Maar dat is het niet, als je er dagelijks uren mee rond moet lopen.

Verzet had vaak meer met volharding, logistiek en boekhoudkundig werk te maken dan met het romantische beeld van onbezonnen vrijheidsstrijders. En zo schetste W.F. Hermans het ook in zijn beroemde oorlogsroman De Donkere Kamer van Damokles. Daarin voerde Hermans een nuchtere verzetsman op, Labare, die niets van alle hoogdravende verzetsromantiek moest hebben: ‘Dit werk moet je beschouwen als gewoon werk, je moet niet de hele tijd zitten te denken: het is oorlog, ik ben een held en zo voorts meer. (…) Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest. Onvoorzichtige mensen kunnen wij niet gebruiken.’

Dat ene zinnetje ‘Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest’ is later eindeloos vaak aangehaald alsof het een schampere opmerking van Hermans zelf was, waarmee hij de heldhaftigheid van het verzet wilde ontkennen. Maar die lading heeft het in de roman helemaal niet – uit de mond van een praktische doener als Labare, wars van grote woorden, gaf Hermans juist een hele realistische schets van hoe het verzetswerk er in de praktijk eruitzag.

‘Overvallen op distributiekantoren, aanslagen op hooggeplaatste nazi’s. Het gros van het verzetswerk, het overgrote deel, was veel eentoniger.’

En daar had Hermans zelf ook het een en ander van mee gekregen. Zij naaste buurman aan de Eerste Helmerstraat in Amsterdam, Henk Jonkman, was een verzetswerker voor de Amsterdamse tak van de LO. Hermans kwam er vaak over de vloer, kreeg zijdeling mee dat er allerlei clandestiens aan de hand was, maar wat precies kreeg hij nooit te horen. Jonkman was een trouwe lezer van Het Parool. In zijn dagboek noteerde hij alles wat hij te weten kon komen over de deportaties van Joden uit de stad. Het befaamde Paroolartikel van 27 september 1943, waarin melding werd gemaakt van vernietigingskampen met gaskamers, sloeg bij hem in als een bom. Het bevestigde de geruchten die hij al maanden eerder gehoord had. Hij vroeg zich af waarom Radio Oranje het niet verkondigde. Dan zou het verzet in Nederland nog veel groter worden.

Hoogdravende kitsch
Ook Jonkman was een idealist met onwrikbare overtuigingen – een sociaaldemocraat met voelsprieten voor het humanistische christendom van radicale naastenliefde en opofferingsgezindheid. Op een avond kregen hij en de jonge W.F. Hermans een hoogoplopende ruzie over de verzetspoëzie die tijdens de bezetting in clandestiene bundels verscheen. Hermans vond het allemaal hoogdravende kitsch.

Dan ging het om gedichten als deze:

 

‘Laat het goed zijn geweest, onze daden,

– of misschien ook verkeerd –

voor hooger doel ons te offeren

hebben wij tenminste geleerd.

Is dit niet de zin van het leven

– en misschien ook van den dood –

te leeren ons zelven te geven

in aller nood?’

 

En ook al vond Jonkman deze poëzie naar literaire maatstaven ook slecht, ‘maar ’t feit, dat ze geschreven zijn door mensen in de cel, tussen geweerloop en muur, zoals er één heet, maakt ze voor mij heilig.’

Nuchtere discipline en hooggestemd idealisme sluiten elkaar niet uit. Dat is wat me ook van de Groningse verzetskringen opviel, waar mijn opa deel van uitmaakte. Mijn opa die psalmen zong, in het concentratiekamp Sandbostel waar hij terechtkwam na zijn arrestatie, en waar hij in mei ’45 aan tyfus overleden is.

En als je zijn medeverzetswerkers hoorde praten over de strijd voor God en vaderland dan klonk dat ook nogal hoogdravend – om ze vlak daarna weer bijna laconiek te horen vertellen dat ze de stelregel hadden dat als leden uit je groep gearresteerd waren, je binnen 24 uur op je schuilplaats moest zitten. Want 24 uur, dat was zo ongeveer hoe lang je kon verwachten dat iemand martelingen aan kon, daarna kon je menselijkerwijs niet verwachten dat ie z’n mond nog dicht kon houden. Dus dan moest je weg zijn. Zo gaat dat.

Obsessie
De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is eigenlijk nooit echt geschiedenis geworden. Vanaf het moment van de bevrijding tot de dag van vandaag is het een ijkpunt gebleven waar we de actualiteit aan afmeten: het nazisme heeft in die periode vele nieuwe gedaanten aangemeten gekregen: in de jaren ’60 en ’70 werd zo ongeveer elke politieman voor een fascist uitgemaakt – en identificeerde de protestgeneratie zich – op niet zo’n hele nuchtere wijze – met het verzet. Daarna waren, de Islamterroristen, de populisten, Poetin, Xi Jinping, Fortuyn, Wilders, Frans Timmersmans, Trump, het World Economic Forum, allemaal de nieuwe nazi’s

Daarmee wil ik niet al die vergelijkingen op één hoop gooien en ze allemaal belachelijk maken. Er is – helemaal de laatste jaren – wel degelijk een ernstige antidemocratische ontwikkeling gaande in de wereld – en tegelijkertijd moeten we constateren dat de vergelijking met het nazisme de afgelopen tachtig jaar zó gretig is gebruikt dat die, of we het nu leuk vinden of niet, veel van zijn kracht heeft verloren.

Wat we nu meemaken in de wereld, in de geopolitieke verhoudingen, is in zekere zin juist het einde van het naoorlogse tijdperk waarin het nazisme en het verzet vanzelfsprekende ijkpunten waren. We maken het einde mee van de periode waarin de nagedachtenis aan de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog zorgde voor de vanzelfsprekendheid van de internationale rechtsorde, de vanzelfsprekendheid van een open, veelstemmige samenleving, de vanzelfsprekendheid dat brute machtspolitiek en intimidatie geen plek hadden in de beschaving, de vanzelfsprekendheid dat in een democratie de macht niet gelegen is bij een leider of een partij, maar in de wet.

Die vanzelfsprekendheden zijn voorbij. En dat doet velen op dit moment oprecht vrezen voor een herhaling van de geschiedenis, een heropleving van het fascisme. Daar staan de kranten al jaren vol mee, daarover roeren de schrijvers zich, kunstenaars, filmmakers. We kunnen niet zeggen dat we niet gewaarschuwd zijn. Onze cultuur staat werkelijk bol van de onheilstijdingen, verhalen over herlevend fascisme en autocratie – we zijn de afgelopen decennia werkelijk verzadigd met angstbeelden en ondergangsvisioenen.

‘De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is eigenlijk nooit echt geschiedenis geworden.’

En we moeten constateren dat het niet heeft gewerkt. Het heeft de nationaal-populistische politiek niet ingedamd – integendeel – ik denk dat het de radicaal-rechtse politiek alleen maar heeft geholpen. Want we hebben – met onze obsessie voor de Tweede Wereldoorlog, onze collectieve angst voor de herhaling ervan – een democratische cultuur gecreëerd die negatief is, die aan elkaar hangt van angstvisioenen en vijandbeelden. We hebben vrijheid en democratie verdedigd door te waarschuwen – constant te waarschuwen – voor hun tegendeel. Democratie is belangrijk, omdat je anders fascisme krijgt, en oorlog.

Het positieve verhaal over democratie raakte uit het oog verloren. En dat positieve verhaal is harder nodig dan ooit. Dat verhaal is in de kern juist niet zorgelijk of defensief. Het is een verhaal vol levenslust, en vol nuchter realisme. Want de democratie is de enige staatsvorm die recht doet aan de werkelijkheid. En de werkelijkheid is: dat de bevolking, ‘het volk’ zoals de populisten het noemen, niet bestaat uit mensen die allemaal hetzelfde zijn, en al helemaal niet hetzelfde vinden – stel je voor: hoe vreselijk zou dat zijn – maar dat is wél het sprookje dat populisten en dictators ons wijs willen maken: dat het volk met één mond spreekt. Dat ‘het volk’ hetzelfde wil. Alsof het volk niet uit allerlei verschillende mensen en groepen en belangen en geloven en ideeën bestaat.

Ik ben nog niet eens een familie tegengekomen waarin kinderen, ouders, grootouders, neven, nichten over alles hetzelfde denken. Die veelstemmigheid, dat is waar de democratie in de eerste plaats voor is: om recht te doen aan al die verschillende meningen en ideeën. Zodat we niet hoeven te liegen, zodat we ons niet anders hoeven voor te doen dan we zijn.

Dát is wat een democratische cultuur in essentie is: een veelheid van verschillende overtuigingen, van levensvisies, van dromen, van ordinaire materiële belangen: en van die veelheid van botsende deeltjes proberen we elke dag opnieuw iets samenhangends te brouwen.

Dat is ook waar de werkelijkheid, als je er natuurkundig naar kijkt, uit bestaat: uit botsende deeltjes. Dat is wat je moet vaststellen, als je nuchter en realistisch naar onze samenleving kijkt: dat is geen kunstmatig, van bovenaf opgedrongen eenvormigheid. Nee, dat is altijd een veelheid van deeltjes geweest. En het mooie van de natuur is dat die botsende deeltjes geen afbreuk of verval veroorzaken. Nee: botsende deeltjes zorgen voor energie. Voor warmte. Ze zijn de bouwstenen voor alles wat bestaat.

Dat is geen wankel verhaal, maar de enige nuchtere en realistische manier om naar werkelijkheid te kijken; een democratische cultuur is er één vol dynamiek en levendigheid, van botsende deeltjes; waar de werkelijkheid in haar fundamenten uit bestaat, en waar alle energie uiteindelijk vandaan komt.

Het populistische verhaal over één volk, met één volkswil, is een sprookje dat niets met de werkelijkheid te maken heeft. En toch heeft het democratische verhaal het vaak moeilijk, als het tegen de populistische sprookjes moet opnemen. Hoe kan dat toch?

Hitler maakte in Mein Kampf een zwakteanalyse van de democratie: en de grootste zwakte was volgens hem nog wel het hele gegeven dat in een democratie verschillende partijen met verschillende ideeën na de verkiezingen met elkaar tot compromissen moesten komen. Daar hielden mensen niet van. Als puntje bij paaltje kwam voelen de meeste mensen zich toch aangetrokken tot een compromisloos fanatisme, de kracht van innerlijke overtuiging, geen halfzachte slappe toegeeflijkheid.

En daar had Hitler een punt. Er waren, helemaal in de Weimar Republiek van de jaren twintig en dertig, gewoon te weinig mensen die passioneel, overtuigd democraat waren. Dat was óók de conclusie die Sebastian Haffner, de vlijmscherpe tijdgenoot en criticus van Hitler, maakte: ‘Al zijn successen heeft hij behaald op tegenstanders die niet in staat of die niet bereid waren om werkelijk verzet te bieden.’

Dat was een hard oordeel, maar wel terecht: Haffner had het niet over de socialisten en communisten, die meteen genadeloos door de nazi’s vervolgd werden – het sloeg op al die middenpartijen in de Weimar Republiek, die zich in het voorjaar van 1933 zelf vrijwillig ontbonden, de liberalen en de christendemocraten. Zij vertoonden geen enkele strijdbaarheid, maar trokken uit eigen beweging hun conclusies. Ze gingen liggen op de grond en boden geen enkele weerstand, omdat ze dachten dat weerstand bieden toch geen zin zou hebben.

Knielen
Die houding van bij voorbaat opgeven, hebben we het laatste jaar schokkend veel gezien, vooral in de VS: (Big Tech-)bedrijven, advocatenkantoren, universiteitsbesturen, de secretaris-generaal van de Navo (onze oud-premier Mark Rutte), ze knielden omdat ze dachten dat er geen andere reële optie was. Terwijl we weten uit de geschiedenis dat autocratieën en dictaturen hun macht alleen kunnen vestigen als er genoeg mensen zijn die geloven dat de enige optie is om te knielen. Vanaf het moment dat mensen dat simpelweg weigeren, vanuit de kracht van hun overtuiging, begint die macht van de autocraat onmiddellijk te versplinteren.

Dat is wat verzet doet: zodra er genoeg mensen zijn die simpelweg ‘nee’ zeggen, in het parlement, in de rechterlijke macht, en vooral: onder de bevolking – dan krijgt het verhaal van een president die de ‘wil van het volk’ uitoefent, onmiddellijk een deuk. Dat is precies de gevoelige plek waar populistische machthebbers veel kwetsbaarder zijn dan we vaak denken.

Daar kunnen de oude verzetsgroepen als voorbeeld dienen, daar is hun geschiedenis, van de Paroolgroep, van de Nulgroep, en al die andere groepen in Groningen en de rest van Nederland, van onverstoorbaar doorwerkende verzetslieden als Henk Jonkman, misschien wel relevanter dan ooit.

Ze laten ons zien wat de voorwaarden zijn van effectief verzet, hoe dat tot stand komt, en vooral: hoe je dat kan laten werken.

  • Kracht van innerlijke overtuiging
  • Hun nuchterheid, hun realisme, hun discipline
  • En hun verscheidenheid: van zwaar gereformeerd tot communistisch tot sociaaldemocratisch (met wat christenhumanisme) –

Het waren groepen die het nooit met elkaar eens zouden worden, en dus was dat ook nooit het doel. Het hele idee van democratisch verzet is juist dat het veelstemmig is, dat het niet eenvormig hoeft te zijn, niet eenvormig hoort te zijn. Die verscheidenheid is juist datgene wat we te beschermen hebben. En dat betekent: medestanders, en medestrijders, herkennen in degenen met wie je hartstochtelijk oneens bent – dat was wat Het Parool met het motto van nationale solidariteit bedoelde. Een breed veelstemmig verzet, vanuit het besef dat al die verschillende standpunten en groepen werden vertolkt en bevolkt door medeburgers, mensen die onderdeel waren van dezelfde gemeenschap. En dat we het verdommen om ook maar iemand – hoe oneens we het ook met ze zijn – als wezensvreemd aan te merken.

Dat was het verzet van de mensen die we vandaag herdenken. En daar ligt een vruchtbare bron voor de democratische krachten zoals we die nu nog steeds hard nodig hebben.

delen: