sluiten

Vandaag verschijnt het boek ‘Vrij, Onverveerd’ ter ere van 85-jarig bestaan Het Parool

Op 10 februari 1941 verscheen het illegale verzetsblad Het Parool voor het eerst. Vandaag, precies 85 jaar later, komt het boek Vrij, Onverveerd uit. Indringende portretten van journalisten laten zien dat vrije pers geen vanzelfsprekendheid is, maar een hard bevochten verworvenheid. Stichting Democratie en Media, dat voorkomt uit Het Parool, nam hiertoe het initiatief, samen met Emilie Nord en Suzanne van Norden, dochters van Paroolmannen Max Nord en Wim van Norden.

Vrij, Onverveerd werd geschreven door Teun Dominicus en Peter de Brock. Het boek bevat portretten van mannen en vrouwen die in het diepste geheim voor het illegale Parool werkten. Daartegenover staat een reeks spiegelportretten van hedendaagse journalisten uit verschillende delen van de wereld. Intimidatie, bedreiging, geweld en politieke ondermijning belemmeren hun journalistieke werk. Hoewel deze verhalen niet één op één te rijmen zijn met die van de Paroolmedewerkers, krijgen ze samen betekenis.

Hieronder lees je het portret van Jet Roosenburg, die de Paroolredactie in oorlogstijd voorzag van belangrijke informatie.

Andere portretten uit Vrij, Onverveerd lees je hier:

  • Frans Goedhart (1904-1990), die zelfs in gevangenschap doorging met journalistiek werk
  • Wim van Norden (1917-2015) bedacht al in een vroeg stadium hoe het illegale Parool na de oorlog kon voortbestaan
  • Max Nord (1916-2008), de dichter die door de oorlog journalist werd
  • Simon Carmiggelt (1913-1987) was vanaf het begin betrokken bij verzetskrant Het Parool
  • Emmy Andriesse (1914-1953), de fotografe van het jongetje met een pan voor zijn buik
  • Jaap Nunes Vaz (1906-1943), die een dag na de Nederlandse capitulatie werd ontslagen, was een van de Parooljournalisten van het eerste uur
  • Kees de Groot (1913-1945), die de Duitsers executeerden zonder te weten dat hij de Paroolmedewerker was die ze al jaren zochten

Vrij, Onverveerd wordt uitgegeven door Het Parool en is tot stand gekomen met steun van Stichting Democratie en Media. Het boek is hier te bestellen (de opbrengsten gaan naar de redactie van Het Parool).

 

De vrouw die uit de geschiedenisboeken werd geschreven

Jet Roosenburg raakt als student aan de Leidse universiteit betrokken bij het verzet. In 1941 verzorgt ze de distributie van het illegale Parool in Den Haag. Nog hetzelfde jaar wordt ze als enige vrouw uitgenodigd voor een gesprek met Frans Goedhart, die op zoek is naar nieuwe redacteuren.

Op het moment dat hoogleraar Eduard Meijers in november 1940 college zou geven, betreedt decaan Rudolph Cleveringa van de juridische faculteit het podium van het Academiegebouw aan het Rapenburg in Leiden. Enkele dagen ervoor zijn alle ‘niet-Arische’ ambtenaren uit hun functie gezet, dus ook de Joodse medewerkers van de oudste universiteit van het land. Eerder hebben 1700 van de 2400 Leidse studenten een verklaring aan Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart ondertekend dat ontslag van Joodse medewerkers ‘lijnrecht indruist tegen de tradities en vrijheden’. Die brief heeft niet mogen baten. Met ingehouden woede, ‘als kokende lava’ in zijn hoofd, spreekt Cleveringa over het ontslag van zijn leermeester Meijers. Het doel van het recht is rechtvaardigheid, houdt hij zijn publiek voor, en uitsluiting op basis van godsdienst is in strijd met het basisbeginsel van de Grondwet.

Cleveringa is geïnformeerd over een op handen zijnde studentenstaking als Meijers zou worden ontslagen, en die staking juicht hij van harte toe. Desondanks lijkt het hem verstandig – Feind hört mit (de vijand luistert mee) – zijn publiek te waarschuwen om niet in verzet te treden, wetende dat zijn studenten die boodschap naast zich neer zullen leggen. “Wij kunnen, zonder in nuttelooze dwaasheden te vervallen, welke ik U met klem moet ontraden, thans niets anders doen dan ons buigen voor de overmacht.”

Een van de aanwezige studenten bij de protestrede van Cleveringa is Henriëtte Jacoba Roosenburg, roepnaam Jet. Ze is geboren op 26 mei 1916 in Den Haag in een familie van patriciërs en adel. Als een dwarse en eigenzinnige puber beschikt ze al over literair talent en een talenknobbel. Enige drang tot avontuur is haar ook niet onbekend. In de schoolkrant van het elitaire Nederlandsch Lyceum in haar geboorteplaats schrijft ze verhalen die niet
direct aansluiten bij het milieu waaruit ze voortkomt. Begin mei 1940 studeert de dan 23-jarige Roosenburg taal- en letterkunde aan de Leidse universiteit, waar ze ook Spaans, Frans en Russisch leert. Samen met haar studievriendin Thea Exalto is ze betrokken bij de studentenstaking en gaat ze zich toeleggen op verzetswerk.

Verbannen naar een voetnoot
In het tweede bezettingsjaar helpt Roosenburg met het verspreiden van exemplaren van Het Parool in Den Haag. Ze is verantwoordelijk voor de distributie van 200 exemplaren in de Hofstad. Blijkbaar zijn Paroolredacteuren Jaap Nunes Vaz en Lex Althoff zo van haar werk onder de indruk, dat Roosenburg wordt uitgenodigd voor een gesprek met oprichter Frans Goedhart voor potentieel nieuwe redacteuren. In december 1941 komt ze – samen met toekomstige redacteuren Kees de Groot, Jan Meijer en Wim van Norden – op gesprek en staat ze op gelijke voet met de mannen, aldus verklaringen van onder andere Meijer en Van Norden.

Waarom deze opvallende vermelding? Omdat Roosenburgs aanwezigheid – als enige vrouw in die ruimte – uit de geschiedenisboeken is geschreven: in het standaardwerk Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in Oorlogstijd is ze verbannen naar een voetnoot. In de verhalen over Het Parool tijdens de oorlog staan vooral mannen op de voorgrond en houden vrouwen zich vooral bezig met koerierswerk en het verspreiden van de krant.

Hoewel Roosenburg na de genoemde vergadering niet tot de redactie van de krant toetreedt, verzamelt ze vanaf januari 1942 tot augustus 1943 voor de hoofdredactie wel nieuws via illegale radiozenders. Haar bijdragen zijn zeer welkom: De Groot is in het najaar van 1942 korte tijd de enige Paroolredacteur op vrije voeten. Vanaf de winter van 1942-1943 krijgt hij hulp van Gerrit Jan van Heuven Goedhart, de voormalige hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad. Aan beide redacteuren schrijft Roosenburg uitgebreide brieven, met op de dag toegespitste veranderingen aan de verschillende fronten. Aan Van Heuven Goedhart meldt Roosenburg in januari 1943 dat de slag om Stalingrad langzaam verloopt: ‘per straat en per fabriek’ wordt er gevochten. Ook hoort Roosenburg op 18 januari dat ‘de bezetting van Leningrad doorbroken is. De Russen zijn hier over de Neva en langs het Ladogameer getrokken en hebben voor het eerst sinds september 1941 weer contact met hun eigen troepen’. Aan De Groot schrijft ze enkele dagen later over vooruitgang aan het front rondom Charkov in Oekraïne, waar een ‘moffenlinie’ is gebroken.

Ook bericht Roosenburg op de dag precies over de strijd tussen het Afrikakorps van de Duitsers en de Britten onder leiding van Bernard Montgomery. Ze noemt luchtaanvallen op steden en de verovering van militaire basissen door Franse kameeltroepen. Rond de bevrijding van Tripoli benadrukt ze op 20 januari 1943 hoe groot het gebied is dat de Britten hebben veroverd op de Italianen. ‘Tripoli binnengetrokken. Het hele Ital. kol. rijk (12,5 maal zo groot als Engeland) is nu in geallieerde handen. Afstand El Alamein – Tripolis = Leningrad – Parijs. Afgelegd in 3 maanden.’

Niet alleen meldt Roosenburg de vorderingen op het slagveld, ze geeft ook informatie door over de diplomatie áchter de oorlog. In Casablanca komen enkele leiders van de geallieerden samen om hun oorlogsstrategie te bespreken. De uiteindelijke inzet is duidelijk: enkel een volledige overgave van Hitlers Duitsland zal worden aanvaard, van een capitulatie met voorwaarden kan geen sprake zijn. Aan Van Heuven Goedhart schrijft ze kort over de conferentie: vooral het bijleggen van de ruzie tussen de Fransen Charles de Gaulle en Henri Giraud over het leiderschap van de Vrije Fransen vindt ze meldenswaardig. Het blijft een pijnlijke realiteit dat terwijl Europese legers vechten tegen bezetting en de bevolkingen lijden onder overheersing, de geallieerden zonder inspraak bepalen wat er met gekoloniseerde gebieden in Afrika en Azië gebeurt. Over Libië zullen ‘de geallieerden [na de oorlog] uitmaken wat ermee gebeurt’. In tegenstelling tot Frans koloniaal Afrika, Syrië, ‘etc.’, schrijft Roosenburg: die gebieden ‘zullen worden teruggegeven’ aan de Fransen.

Ook de diplomatieke betrekkingen in Oost-Azië blijven in Roosenburgs nieuwsbrieven niet onbenoemd, waar eenzelfde realiteit van koloniale verhoudingen in de wereld doordringen. Het Verenigd Koninkrijk en de nationalistische Chinese regering sluiten in januari 1943 een verdrag waarmee Londen afziet van zijn bestuur van een deel van de miljoenenstad Shanghai. ‘Eenzelfde verdrag is ook met de regering in Washington gesloten’, schrijft Roosenburg, ‘opdat na de oorlog samenwerking op gelijke voet kan plaatshebben.’ Daarmee zou de Britse en Amerikaanse bezetting van een deel van de havenstad na bijna een eeuw worden beëindigd.

Dat zelfs een doorgewinterde journalist als Roosenburg hiaten in haar kennis over de Duitse bezetting heeft, blijkt uit een brief aan haar vriendin Ceesje van Beijeren. In het voorjaar van 1943 vraagt ze naar de verblijfplaats van de gearresteerde redacteur Jaap Nunes Vaz. ‘Heb jij nog enige mogelijkheid om nog te weten te komen waar hij precies zit?’ Het antwoord van Van Beijeren is onbekend, maar de volgende brief van Roosenburg geeft wel enige aanwijzingen. ‘Weet jij iets van dat kamp in Auschwitz af? Het zegt mij helemaal niets. Ik hoop toch zo van harte dat hij erdoor komt! Ze slaan er nogal hard op tegenwoordig.’

Roosenburg heeft niet alleen talent voor nieuwsgaring en journalistiek, ze is ook bedreven in bellettrie (schone letteren). In haar nagelaten privéarchief zitten schertsgedichten die vermoedelijk van haar hand zijn: ze zijn met Roosenburgs typische gevoel voor humor – lichtelijk onderkoeld en spottend – geschreven. Zo is er een abc over de Duitse bezetting:

A is Adolf, de bron van alle kwaad.
B is de Burger, die d’ellende ondergaat.
C is de Censuur, die alle vrijheid smoort.
D is het Dieventuig, dat in Nederland niet hoort.
E is de Evacuatie, waaraan wij zijn ontsnapt.
F is de Führer, die Nederland heeft leeggegapt.
G is Goering, het laatste vet der natie.
H is de Hoop op mislukken invatie.
I zij de Izaaks, ten dode toe geplaagd.
J is John Bull, door Hitler uitgedaagd.
K is de Kraft, de Freude is steeds zoek.
L zijn de Leugens, die staan in krant of boek.
M zijn de Mina’s, die naar beneden daalden.
N zijn de NSB’ers, die Duitsland binnenhaalden.
O is de Oproer, waar iedereen naar smacht.
P is de Publicatie, waar ieder om lacht.
Q zijn de Quislings, hier Mussert en NSB.
R is de Revanche, die komt nog wel, o wee.
S is ons Sijsje, verrader als de reet.
T is de Terreur, die het leven ons verpest.
U is Uncle Sam, die vliegmachinen geeft.
V is de Vrijheid, waar ieder naar streeft.
W is Winkelman, met ere hier genoemd.
X zijn de onbekende Nederlandse helden.
IJ is de IJdele hoop om Engeland te verslaan.
Z is de Zee, waar de nazi’s in vergaan.

In haar nalatenschap zit nog meer satirische poëzie, waaronder een kopie van Der Tommy, een ballade die is gepersifleerd op Goethes Erlkönig. Hoewel onduidelijk is of Roosenburg de auteur is van dat gedicht, laten deze stukken poëzie en spotgedichten zien dat satire een belangrijk onderdeel is van de strijd tegen de nazistische bezetting. Ze bieden ruimte voor fantasieën over een snelle nederlaag voor Duitsland, geven mensen hoop of ridiculiseren de collaboratie van NSB’ers.

Verraad
Vanaf het voorjaar van 1943 stopt Roosenburg met het verzamelen van nieuws voor Het Parool en helpt ze bij het opzetten van smokkelroutes naar Zwitserland. Als onderdeel van de verzetsgroep Fiat Libertas (Laat er vrijheid zijn) brengt ze ook geheim agenten en neergestorte piloten in veiligheid naar België. Na de oorlog berekende Roosenburg dat ze de gevaarlijke tocht naar Brussel zo’n twintig keer had gemaakt. Enige tijd later smokkelt ze microfiches met spionagemateriaal naar Bern, vanwaar deze naar Londen worden gestuurd.

Ondanks dat Roosenburg haar werkterrein heeft verlegd, blijft ze op afstand betrokken bij Het Parool. Haar studievriendin Exalto schreef in haar memoires dat De Groot en Roosenburg rond Kerstmis 1943 op haar kamer op de Keizersgracht in Amsterdam bijeenkwamen om te overleggen over de gevaren die zijn ontstaan door de arrestatie van Jan Stallinga, een spil in de Paroolorganisatie die op de hoogte was van tientallen adressen. Dat De Groot hiervoor mede terugvalt op de kennis en inzichten van Roosenburg, laat zien dat vrouwen serieus worden genomen en betrokken zijn bij belangrijke beslissingen. Roosenburg blijft niet alleen betrokken bij Het Parool, ook voor haar werk voor Fiat Libertas valt ze deels terug op de infrastructuur die ze dankzij haar werk voor de krant kent. Zo is Nieuwezijds Voorburgwal 130 sinds oktober 1944 het Amsterdamse reserveadres van de smokkelgroep. Dit is het kantoor van de Schweizerische Presse-Telegraph.

Op 1 maart 1944 wordt Roosenburg in een Brussels café door verraad opgepakt. Overgeplaatst naar de gevangenis in Scheveningen treft zij daar bij toeval haar geliefde aan, Pierre Helderman, die ze heeft leren kennen op een onderduikadres in Wageningen. Hij zit vast voor het tweede Paroolproces, maar bezwijkt op 19 april aan de ontberingen in gevangenschap.13 In juli 1944 staat Roosenburg samen met negentien andere leden van Fiat Libertas terecht voor Feindbegünstigung, spionage en verboden wapenbezit. In de Utrechtse rechtbank doet zij weinig moeite haar rol te verkleinen. Geconfronteerd met de beschuldiging dat ze 19 ‘terrorpiloten’ heeft weggebracht, antwoordt ze: “Meneer de rechter, het waren er 23.”

Hoewel ze ter dood is veroordeeld, wordt Roosenburgs vonnis niet direct voltrokken. Dat heeft haar leven gered. Als begin september 1944 de geallieerden verder oprukken naar Nederland en Breda bevrijden, vertrekt de militaire directeur van de Utrechtse gevangenis naar Duitsland en neemt gevangenen, waaronder de ter dood veroordeelde Roosenburg, in veewagons mee. In enkele maanden wordt ze van tuchthuis naar tuchthuis gesleept, in totaal vijf, totdat ze op 6 mei 1945 in Waldheim door troepen van de Sovjet-Unie wordt bevrijd.

Enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog krijgt Roosenburg koninklijke erkenning voor haar verzetswerk: in december 1949 ontvangt ze de Bronzen Leeuw voor ‘het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden in de strijd tegenover de vijand’.

Latent seksisme
Hoe kan het dat Roosenburgs rol binnen Het Parool tijdens de oorlog zo onderbelicht is gebleven? Er zijn meerdere verklaringen. Decennialang wordt verzet door vrouwen in de publieke herinnering geminimaliseerd: de mannelijke blik overheerst en werk van vrouwen wordt voorgesteld als ‘ondersteunend en vanzelfsprekend’.15 Hoewel Roosenburg binnen de Paroolredactie een belangrijke rol speelt als nieuwsverzamelaar, zorgt zij ook voor onderdak en geld voor Van Heuven Goedhart en De Groot, verzetswerk dat snel aandacht verliest tussen de geschiedschrijving over ronkende polemieken en politieke vergezichten.

Toch is latent seksisme geen afdoende verklaring. Roosenburgs werkzaamheden voor Fiat Liberatas en andere smokkelgroepen zijn juist taken die worden geassocieerd met masculiniteit: ze zijn avontuurlijk en vol gevaar. Een belangrijke verklaring ligt in een ongelukkige samenloop van omstandigheden. In augustus 1946 vertrekt Roosenburg naar de Verenigde Staten, waar ze vanaf 1948 werkt bij Time Life: ze schrijft voor bladen als Time, Life en Fortune. Ze is het merendeel van de tijd niet in Nederland en kon zo moeilijker haar plek in de geschiedenis opeisen. In 1957 publiceert Roosenburg haar herinneringen aan haar gevangenschap in Duitsland, The wall came tumbling down, wat een groot succes is in de VS. De vertaling De muren vielen om wordt ook in Nederland geprezen voor de lichtvoetige en ironisch-afstandelijke toon. Maar het levert geen aandacht op voor haar werk voor de krant.

In 1966 vraagt Roosenburg een buitengewoon pensioen voor verzetsstrijders aan bij Stichting 1940-1945, stopt ze met werken in de VS en verhuist ze naar Le Poët-Laval in Frankrijk, waar ze in juni 1972 overlijdt. Zo zijn drie cruciale hoofdrolspelers voor Het Parool tijdens de zware tijd in 1942 en 1943 – Kees de Groot, Gerrit Jan van Heuven Goedhart en Jet Roosenburg – niet meer in leven als begin jaren ‘90 eindelijk de monografie verschijnt over de krant tijdens de Tweede Wereldoorlog, Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in Oorlogstijd. Door nieuwe bronnen en een bredere blik krijgt Roosenburg alsnog de plek in de geschiedenis die ze verdient.

delen: